Seamus Heaney, een terugkeer naar verre Ierse voorvaderen

Seamus Heaney debuteerde in 1966 met de 'Death of a Naturalist', waarvoor hij de 'E.C. Gregory Award' kreeg. Later werd de gedichtenbundel nog drie keer bekroond: met de 'Somerset Maugham Award' en de 'Geoffrey Faber Memorial Prize' in 1968, en de 'Cholmondeley Award' in 1976. In dat licht werd hij al snel gezien als de belangrijkste Ierse dichter sinds William Butler Yeats. In 1995 ontving hij de Nobelprijs voor Literatuur voor zijn oeuvre.

Heaney (1939-2013) werd geboren in County Derry in een boerengezin in Ierland. Omdat hij vanaf 1957 Engelse taal en letterkunde aan de Queen’s University in Belfast had gestudeerd, begon hij in 1963 als leraar Engels aan het St. Joseph's College te Belfast. Dankzij het hoofd van die school kwam Heaney in contact met de poëzie van Patrick Kavanagh (1904-1967), die hem zou inspireren om zelf te gaan schrijven.

Incertus
In 1962 publiceerde Heaney zijn eerste gedichten onder het pseudoniem Incertus (latijn voor 'onzeker') in diverse lokale stijdschriften. Een jaar later kwam hij in contact met de Engelse dichter van Pools-Joodse afkomst, Philip Hobsbaum (1932-2005), die een groep jonge dichters opzette onder de naam 'Belfast group' (naar voorbeeld van de 'London Group', die hij eerder in eigen land had opgezet). Zo kwam Heaey in aanraking met andere dichters als Derek Mahon (1941) en Michael Longley (1939).

Drie jaar later verscheen 'Death of a Naturalist', een werk dat een grote impact zou hebben binnen de literaire wereld. Daarna volgde 'Door into the Dark' (1969), door de 'Poetry Book Society' tot keuze van het jaar werd uitgeroepen, en nog elf andere bundels. 'Human Chain' uit 2010 was zijn laatste. Heaney maakt in zijn gedichten vaak gebruik van oude, haast vergeten agrarische handelingen en instrumenten, als metafoor voor het verleden en de oude geschiedenis van zijn volk. In 'De hooivork’ (uit 'Seeing Things', 1991) neemt hij bijvoorbeeld de lezer mee naar een jeugd, waarin hij omringd werd door dit soort voorwerpen, en wordt de hooivork bijna zoiets als de speer van een krijger of van een atleet.

In het gedicht 'Digging' (zie hieronder) schrijft Heaney over de schep van zijn grootvader, waarmee deze naar turf zoekt en 'levende wortels' in het hoofd van de dichter zelf doet ontwaken. De verwijzing naar de oude Keltische naam Toner en naar 'levende wortels', en de zoektocht van de grootvader naar 'de goede turf'' brengt deze naar voren als de belichaming van een archaïsche heldenfiguur en moet als zodanig het oerkarakter van het Ierse volk symboliseren

(...)
My grandfather cut more turf in a dayThan any other man on Toner's bog.
Once I carried him milk in a bottle
Corked sloppily with paper. He straightened up
To drink it, then fell to right away
Nicking and slicing neatly, heaving sods
Over his shoulder, going down and down
For the good turf. Digging.

The cold smell of potato mould, the squelch and slap
Of soggy peat, the curt cuts of an edge
Through living roots awaken in my head.
But I've no spade to follow men like them. *

Vervolgens schrijft Heaney dat hij zelf geen schep heeft om zulke mannen te volgen, maar wel een pen waarmee hij zal graven. Met dat woord 'graven' komt hij zo opnieuw terug bij de wortels -bij oude, historische namen als Toner, en bij zijn Ierse voorvaderen. Toner is waarschijnlijk de eigenaar van de grond, waarin de grootvader als landarbeider naar turf graaft.

Between my finger and my thumb
The squat pen rests.
I'll dig with it. **

(Uit: 'Digging'***) 

 
Ander werk
Naast gedichten schreef Heaney proza en toneelstukken, en deed hij vertalingswerk, waaronder 'Beowulf' uit 1999 en 'Arion', een gedicht van Alexander Puskhin (2002). Ook werden er diverse bloemlezingen van zijn poëzie uitgegeven.

Heaney stierf in 2013 in Dublin. Hij ontving in totaal achttien prijzen, waarvan de Nobelprijs in 1995, de Irish PEN Award in 2005, en zijn benoeming tot Commandeur in de Franse 'Ordre des Arts et des Lettres' de belangrijkste zijn.

Foto: Seamus Heaney in 1970; Heaney op latere leeftijd. 

Noten:
* Mijn grootvader groef meer turf per dag / Dan wie ook in Toner's veen. / Ooit bracht ik hem melk in een fles / Slonzig gekurkt met papier. Hij strekte zich / Om het te drinken, om daarna terug te vallen / Netjes gravend, veen heffend / Over zijn schouder, dieper en dieper / Gravend. Naar de goede turf. 
De koude geur van schimmel, het geplas / in vochtige grond, de korte sneden / door levende wortels ontwakend in mijn hoofd. / Maar ik heb geen schep om mannen als hij te volgen.

** Tussen mijn vinger en mijn duim / Rust de gehurkte pen. / Ik zal ermee graven.

***  'Digging' is een gedicht uit de bundel 'Death of a Naturalist', 1966