María Zambrano en de verliefde dichter


Volgens De Spaanse dichteres en filosofe María Zambrano (1904-1991) ligt het geluk in een dichterlijk denken dat oog heeft voor het concrete. Het zit zeker niet in de filosofie, maar juist in proza en poëzie, in kunst en cultuur. Dat alles gebeurt volgens Zambrano binnen de Spaanse cultuur en dat is wat deze de buitenwereld te bieden heeft. De Spaanse cultuur wordt gedomineerd door een zg. poëtische rede, die zich zonder weerga overgeeft aan wat haar overkomt, zonder weerstand.

>>Lees verder.

Driek van Wissen, een 'vormvast' dichter


Driek van Wissen (Groningen, 1943-Istanboel, 2010) studeerde Nederlands aan de Rijksuniversiteit te Groningen en was hij daarna tot 2005 werkzaam als docent Neder­lands aan het Dr. Aletta Jacobs College te Hoogezand. Van 1975 tot 1977 was hij redacteur van het Groningse tijdschrift "De Nieuwe Clercke".

>>Lees verder.

Paul van Ostaijen, een zelfportret


Ik ben geboren. Dit moet worden aangenomen, alhoewel een absoluut-objektief bewijs niet is voor te brengen. Axioom is het domein van de subjektieve ervaring. Objektief is het slechts gissen. Dus: zijn wij geboren? Zien. Tasten. Maar lachen om het weinig overtuigende van dit bewijs. Ik vraag; wie is wel degelijk geboren?

>>Lees verder.

Ramsey Nasr, de derde Dichter des Vaderlands

Op 28 januari 2009, aan de vooravond van de tiende Gedichtendag, werd bekendgemaakt dat de Ramsey Nasr de derde Dichter des Vaderlands is geworden. Hij is aangesteld voor een periode van vier jaar. Nasr volgt Driek van Wissen op, die in 2005 werd verkozen, eveneens voor een periode van vier jaar.



Ramsey Nasr (1974) is acteur, dichter/schrijver en regisseur. In 1995 maakte hij indruk met de door hemzelf geschreven en gespeelde monoloog 'De doorspeler', waarmee hij afstudeerde. In 2000 debuteerde hij als dichter met de bundel '27 gedichten & Geen lied', die werd genomineerd voor zowel de C. Buddingh'-prijs als de H.C. Pernath-prijs. In 2004 verscheen zijn tweede dichtbundel, 'Onhandig bloesemend', die werd bekroond met de H.C. Pernathprijs. In 2006 verscheen 'onze-lieve-vrouwe-zeppelin', een bundel van gedichten die Nasr schreef naar aanleiding van zijn stadsdichterschap van Antwerpen.

De verkiezing vond voor het grootste deel plaats via Internet. Van de in totaal 19.605 stemmen zijn er 19.447 stemmen digitaal uitgebracht. Gemotiveerde stemmen telden dubbel. In totaal 14.094 stemmers motiveerden hun stem.

>>Ga verder naar de website van Ramsey Nasr.

Lucebert, 'alles van waarde is weerloos'


Eén van de meest bekende dichtregels van Lucebert (Amsterdam, 1924 – Alkmaar, 1994) is 'Alles van waarde is weerloos' uit het gedicht 'De zeer oude zingt' uit 1974. De zin staat in grote neon-letters op de dakrand van de Willem de Kooning academie. Ook op de gevel van café Trefpunt in Gent staat dezelfde dichtregel.

er is niet meer bij weinig
noch is er minder
nog is onzeker wat er was
wat wordt wordt willoos
eerst als het is is het ernst
het herinnert zich heilloos
en blijft ijlings

alles van waarde is weerloos
wordt van aanraakbaarheid rijk
en aan alles gelijk

als het hart van de tijd
als het hart van de tijd


Deze dichtregel is in deze tijd, waarin vele waarden en maatschappelijke verworvenheden steeds maar weer worden aangetast, is nog steeds actueel. Dat is de reden, waarom we er hier even bij willen blijven stilstaan.

Lucebert werd beschouwd als de voorman van de zg. 'Vijftigers', een groep experimentele dichters die meer dan vijftig jaar geleden veel stof deed opwaaien. In 1949, ten tijde van de Politionele Acties, debuteerde hij met het gedicht 'Minnebrief aan onze gemartelde bruid Indonesia'. Zijn bundel 'Triangel in de jungle / de dieren der democratie', verscheen in 1951. Hij wordt ook wel de 'Keizer der Vijftigers' genoemd.

Nog steeds wordt Lucebert beschouwd als één van de grootste Nederlandstalige dichters van de twintigste eeuw. De meeste van zijn gedichten zijn gebundeld in 'Gedichten 1948-1965', en recenter in 'Verzamelde Werken'.

>>Ga verder naar Lucebert Net (Engels/Spaans).

Pablo Neruda en zijn Nederlandse dochter


Weinig mensen weten dat de Chileense dichter Pablo Neruda getrouwd is geweest met een Indisch-Nederlandse vrouw, Maria Antonia Hagenaar. Het huwelijk werd voltrokken op 6 december 1930.

Ze hadden één dochter, Malva Marina, die aan een zeldzame ziekte leed. Bij het uitbreken van de Spaanse burgeroorlog in 1936 ging het echtpaar uit elkaar na tijdelijk te zijn gevlucht naar Monaco. Pablo Neruda hertrouwde daarna nog twee keer. Desondanks bleef Malva Marina zijn enig kind.

Maria Hagenaar bracht haar kind na dit huwelijk onder bij een pleeggezin in Gouda. Daar is het op 2 maart 1943 gestorven. Neruda heeft, voor zover bekend, nooit enige aandacht voor zijn dochter gehad, ook niet in zijn werk.

Pablo Neruda is het pseudoniem van Ricardo Eliecer Neftalí Reyes Basoalto. Hij werd geboren in Parral op 12 juli 1904. De naam Pablo Neruda komt van de door hem bewonderde Tsjechische dichter Jan Neruda (1834-1891). Het gebruik van een pseudoniem had aanvankelijk ook een praktische reden. Zijn ouders verzetten zich er namelijk tegen dat hij schrijver zou worden.

Neruda's meest bekende gedichtenbundels zijn Veinte poemas de amor y una canción desesperada, 'Twintig gedichten over liefde en een lied over wanhoop' (1924) en Canto General (1950), welke in het Nederlands is vertaald.

Neruda kreeg in 1945 de Premio Nacional de Literatura de Chile. In 1971 werd hij onderscheiden met de Nobelprijs voor de Literatuur. Op 23 september 1973 overleed Neruda, die al langer in een ziekenhuis te Santiago was opgenomen met prostaatkanker, aan een hartaanval. Dat was twaalf dagen na de militaire coup, die Salvador Allende afzette. De nationale begrafenis van de dichter, een openbare manifestatie die verboden was door het nieuwe militaire regime van generaal Pinochet, groeide door de menigten in de Chileense straten uit tot de eerste publieke protestmanifestatie tegen de dictatuur.

Lees ook: Pablo Neruda, 'de grootste dichter van de twintigste eeuw'

Het surrealisme in de dichtkunst

Vanwege zijn in 1924 gepubliceerde 'Manifeste du Surréalisme' wordt de dichter André Breton gezien als grondlegger en theoreticus van het surrealisme als kunststroom. Dit geschrift, dat in 1929 een vervolg zou krijgen, was de vrucht van vijf jaar proefnemingen met het automatische schrijven -rechtstreeks uit het onderbewuste- en met de hypnotische slaap. Maar al in 1917 was het Guillaume Apollinaire (1880-1918), die de volgende uitspraak deed: 'Toen de mens het lopen wilde imiteren vond hij het wiel uit, dat nauwelijks op een been lijkt. Zo was hij zonder het te weten een surrealist.' Hiermee was hij de eerste, die van het woord 'surrealisme' gewag maakte en er tegelijk betekenis aan gaf.

Ook zou het dezelfde Apollinaire zijn, die Breton in contact bracht met de dichter Philippe Soupault (1897-1990), Daarmee zou Breton in 1920 'Les Champs magnétiques' (Magnetische velden) uitgeven, het eerste surrealistische literaire werk, dat zich kenmerkt in dat het opgeschreven werd vanuit het onderbewuste, door middel van de vrije associatie om zo de mens compleet te laten zijn. Hierin worden dromen en werkelijkheid, intuïtie en logica met elkaar vermengd. Die methode kwam mede voort uit interesse in de contemporane publicaties van de psycho-analyst Sigmund Freud, waarin deze het belang van het onderbewuste aangaf. Breton en Soupault schreven dit werk zelfs nog voordat vier jaar later Tristan Tzara (1896-1963) de dood van de beweging dada verklaarde en Breton zijn Manifest schreef, het feitelijke begin van het surrealisme.

Andere wereld, nieuwe werkelijkheid
Dada, ontstaan na de Eerste Wereldoorlog, was een politiek geëngageerde, maatschappij-kritische beweging van kunstenaars, die zich afzetten tegen de gevestigde orde. Ze geloofden dat rationaliteit en de dwang tot vooruitgang de wereld in oorlog had gedompeld. In de dichtkunst mondde dit uit in o.a. klankgedichten. Het surrealisme zou het niet-rationele en de persoonlijke expressie hiervan overnemen.

Surrealistische werken trachten daarom vaak een andere wereld te tonen, die geheel anders is dan de werkelijkheid, wat leidde experimenten in de vorm van o.a. 'cadavre exquis', waaraan meerdere dichters meewerkten zonder dat op de hoogte te zijn van wat de anderen geschreven hadden, en het woord(en)spel. Zo werd er met taal een nieuwe relatie tot de werkelijkheid gecreëerd, bijvoorbeeld door droombeelden als model voor de nieuwe werkelijkheid te geven.

Pour demain

Vous que le printemps opéra
Miracles ponctuez ma stance
Mon esprit épris du départ
Dans un rayon soudain se perd
Perpétué par la cadence

La Seine au soleil d'Avril danse
Comme Cécile au premier bal
Ou plutôt roule des pépites
Vers les ponts de pierre ou les cribles
Charme sûr La ville est le val

Les quais gais comme un carnaval
Vont au devant de la lumière
Elle visite les palais
Surgis selon ses jeux ou lois
Moi je l'honore à ma manière

La seule école buissonnière
Et mon Silène m'enseigna
Cette ivresse couleur de lèvres
Et les roses du jour aux vitres
Comme des filles d'Opéra.

(Uit: Feu de joie, 1920)

Tot het literaire surrealisme behoren, naast Breton en Soupault, o.a. Louis Aragon (1897-1982), Paul Éluard (1895-1952), René Crevel (1900-1935), Benjamin Péret (1899-1959), Pierre Unik (1909-1945) en Robert Desnos (1900-1945). Ook beeldende kunstenaars, als Hans Arp (1887-1966) en Kurt Schwitters (1887-1948), maakten gebruik van dit media. Werk uit bepaalde periodes van de Spaanse dichter >>Federico García Lorca (1898-1936) en van andere exponenten van de >>'Generación '27' kunnen beschouwd worden als surrealistisch. Een land als Italië vindt ermee aanknopingspunten in het werk van o.a. Alberto Moravia (1907-1990) en Zuid-Amerika in dat van Jorge Luis Borges (1899-1986).

In Nederland is het surrealisme vooral tot uiting gekomen dankzij >>Theo van Doesburg (1883-1939) in automatisch geschreven gedichten uit de bundel 'Het andere gezicht' (1926). Ook in het werk van >>Paul van Ostaijen (1896-1928) en >>Hendrik de Vries (1889-1989) is het surrealisme merkbaar. Inspirator van een latere surrealistische beweging in Nederland was Gertrude Pape (1907-1988), die tussen 1941 en 1944 samen met haar echtgenoot en tevens dichter Theo van Baaren (1912-1989) het surrealistische tijdschrift 'De Schone Zakdoek' uitgaf -overigens met de oplage van slechts één exemplaar per editie. Medewerkers aan dat tijdschrift waren o.a. Leo Vroman (1915-2014) en Cees Buddingh (1918-1985).

Ook de 'Vijftigers' voelden zich aangetrokken door het spontane en vonden dat elke esthetische conventie vrijheidsbelemmerend werkte. Ze werden hierin voor een groot deel beïnvloed door het surrealisme.

Afbeeldingen: André Breton met Louis Aragon; Guillaume Apollinaire, voorbeeld van een 'cadavre exquis'; Philippe Soupault; Gertrude Pape en Theo van Baaren.

Jan Campert, wie weet geslaagd in de dood

De schrijver-dichter Jan Campert is vooral bekend geworden dankzij één gedicht, 'Lied der achttien dooden'. Daarmee beoogde hij de stem van het verzet te zijn  tijdens de Tweede Wereldoorlog. Daarnaast heeft hij daar ook actief aan bijgedragen, nl. door een twintigtal joden te helpen naar België te ontsnappen. Op 21 juli 1942 werd hij terwijl hij betrapt en gearresteerd. Via o.a. Breda en Buchenwald kwam hij terecht in het concentratiekamp Neuengamme, bij Hamburg. Daar overleed hij op 12 januari 1943 aan borstvliesontsteking.

Campert werd in 1902 geboren in Spijkenisse en studeerde als jongen aan de Handelsschool. In 1919 ging hij werken bij de Twentsche Bank, waarna hij 1926 journalistieke werkzaamheden begon te ontplooien voor enkele Haagse regionale kranten. Twee jaar later was hij toneelrecensent voor De Nieuwsbron. Algemeen Nederlandsen Dagblad. Tegen die tijd huwde hij ook met actrice Joekie Broedelet, van wie hij vier jaar later weer zou scheiden. Uit dat huwelijk werd in 1929 een zoon geboren, de latere dichter-schrijver Remco Campert. Ondertussen had Jan al in 1922 zijn eerste gedichtenbundel ´Refereinen' uitgegeven, in samenwerking met Henrik Scholte (1903-1988).

Aanklacht tegen het nationaalsocialisme
In 1932 en 1933 publiceerde Campert als coauteur twee detectivesromans. Ook uit 1933 is zijn 'Ballade der verbrande boeken', een aanklacht tegen het nationaalsocialisme in Duitsland. Vervolgens hield hij het enige jaren vooral bij het schrijven van romans: 'Die in het donker...' (1934) en 'Wier' (1935), maar publiceerde ook zijn verzen, in 'Verwilderd landschap' (1936). In 1940 leverde hij één van de novellen voor het boekenweekgeschenk 'Drie novellen'.

Na het uitbreken van de oorlog wilde Campert zijn maatschappelijk-politieke betrokkenheid als dichter weergeven in 'Slordig beheer' (1941), iets wat hij later nog eens zou onderstrepen tijdens een voordracht op 15 maart 1942 over dichterschap en verantwoordelijkheid voor het Haagse genootschap 'Oefening kweekt kennis'. Hierin concludeerde hij, o.a. verwijzend naar het werk van Menno ter Braak, dat een dichter niet zo vervreemd is van 'zijn volk' als men doorgaans veronderstelt.

Intussen publiceerde hij tevens de bundels 'Huis en herberg' (1941) en 'Sonnetten voor Cynara' (1942), waarin in een latere editie het verzetsgedicht 'Rebel, mijn hart, gekerkerd en geknecht' zou worden opgenomen. Het gedicht 'Lied der achttien dooden' verscheen in 1943 in het toen nog ondergrondse Vrij Nederland, al had hij dat twee jaar eerder geschreven naar aanleiding van een krantenbericht over de executie van vijftien verzetslieden van de Geuzengroep en drie communistische Februaristakers. Omdat Campert zelf een jaar later wegens gearresteerd zou worden, zou juist dit gedicht een grote impact krijgen binnen het verzet tegen de bezetters.

Het lied der achttien dooden

Een cel is maar twee meter lang
en nauw twee meter breed,
wel kleiner nog is het stuk grond,
dat ik nu nog niet weet,
maar waar ik naamloos rusten zal,
mijn makkers bovendien,
wij waren achttien in getal,
geen zal den avond zien.


O lieflijkheid van licht en land,
van Holland's vrije kust,
eens door den vijand overmand
had ik geen uur meer rust.
Wat kan een man oprecht en trouw,
nog doen in zulk een tijd?
Hij kust zijn kind,
hij kust zijn vrouw
en strijdt den ijdlen strijd.

Ik wist de taak die ik begon,
een taak van moeiten zwaar,
maar't hart dat het niet laten kon
schuwt nimmer het gevaar;
het weet hoe eenmaal in dit land
de vrijheid werd geëerd,
voordat een vloekbre schennershand
het anders heeft begeerd.

Voordat die eeden breekt en bralt
het miss'lijk stuk bestond
en Holland's landen binnenvalt
en brandschat zijnen grond;
voordat die aanspraak maakt op eer
en zulk Germaansch gerief
ons volk dwong onder zijn beheer
en plunderde als een dief.

De Rattenvanger van Berlijn
pijpt nu zijn melodie,
- zoo waar als ik straks dood zal zijn
de liefste niet meer zie
en niet meer breken zal het brood
en slapen mag met haar-
verwerp al wat hij biedt
of bood die sluwe vogelaar.

Gedenkt die deze woorden leest
mijn makkers in den nood
en die hen nastaan 't allermeest
in hunnen rampspoed groot,
gelijk ook wij hebben gedacht
aan eigen land en volk
- er daagt een dag na elken nacht,
voorbij trekt iedre wolk.

Ik zie hoe't eerste morgenlicht
door 't hooge venster draalt.
Mijn God, maak mij het sterven licht
- en zoo ik heb gefaald
gelijk een elk wel falen kan,
schenk mij dan Uw gena,
opdat ik heenga als een man
als 'k voor de loopen sta.

Tijdens zijn leven had Campert echter weinig succes met zijn literaire werk. Dat en het feit dat hij niet in staat was om langdurige relaties te onderhouden ondermijnde zijn zelfbeeld. Na zijn kortstondig huwelijk met Joekie Broedelet hertrouwde hij in 1936 met de schrijfster Clara Eggink, maar ook van haar was hij drie jaar later alweer gescheiden. Nadien woonde Campert nog enige tijd samen met Willy Corsari, cabaretière en schrijfster van o.a. meisjesboeken, maar verder bestond zijn liefdesleven uit korte verhoudingen gedomineerd door  drankgebruik, geweld en chronisch geldgebrek.

'Wie weet slaag ik in de dood'
In een biografie, die in 2004 gepubliceerd werd onder de titel 'Wie weet slaag ik in de dood. Biografie van Jan Campert', komt naar voren dat Campert soms aan geld kwam door vañse nieuwsgeving te verstrekken en als criticus zijn vrienden bevoordeelde. Ook zijn deelname aan de jodensmokkel in de Tweede Wereldoorlog schijnt niet helemaal belangeloos te zijn geweest, wat zijn verzetsactiviteiten lichtelijk in een ander licht stelt dan het beeld wat men van hem in en na de oorlog had.

De titel van de biografie verwijst overigens naar een strofe uit de bundel 'Huis en herberg': 'Te erkennen te hebben gefaald,/ niet eens meeslepend en groot,/ is alle winst die ik heb behaald/ Wie weet slaag ik in de dood'. Al verwijst dit weer naar de in 1940 op zee gestorven vitalistische dichter Hendrik Marsman, geeft dit op één of andere manier het leven van Campert zelf, die pas posthuum zijn echte erkenning zou krijgen, perfect weer.

Na Camperts dood zouden nog enkele bundels met verzamelde gedichten en ander werk van zijn hand worden uitgegeven. Zo bewerkte zijn zoon Remco Campert, zelf intussen schrijver geworden, in 1961 de roman 'Wier'. In 1947 werd ook de zg. Jan Campertprijs in het leven geroepen, aanvankelijk met de bedoeling dichters, die jonger waren dan dertig jaar en iets voor de oorlogsperiode hebben betekend, te steunen. Bovendien werden in 2003 twee monumenten aan Campert gewijd, één in zijn geboortedorp Spijkenisse en één op het voormalige kamp Westerbork. Tegenwoordig bestaat ook de Jan Campert-Stichting, die tot doel heeft de Nederlandse letterkunde te bevorderen d.m.v. het toekennen van literaire prijzen. De belangrijkste prijs die deze stichting uitreikt is de Constantijn Huygens-prijs.

De nachten van Alejandra Pizarnik

Ze schreef over kooien, wijn, bloemen en zeer zware stenen. Over bestemming, trauma's, paniekaanvallen en liefdes -soms lesbisch, dan weer niet, maar vaak gewelddadig. Haar werk is surrealistisch, mystisch, erotisch en depressief. Het is er veelal nacht, het moment waarin Alejandra Pizarnik kan wentelen in haar fragiliteit, zichzelf kan uitgeven in verschillende versies van zichzelf, een speurtocht kan ondernemen naar de liefde. 'Tal vez sea la noche la vida y el sol la muerte', schreef ze in 'La noche' (zie onder).

Flora Alejandra Pizarnik werd in 1936 geboren in Avellaneda (Argentinië) uit Joodse ouders van Russisch-Slovaakse afkomst. Ze had een jeugd vol onzekerheden en afwijzingen, waarin acné, stotteren en jaloezie ten opzichte van haar oudere zuster -gestimuleerd door haar moeder, die zich te buiten ging aan dodelijke vergelijkingen- een belangrijke rol speelden. Haar door haar opvoeding aangekweekte accent heeft er voor gezorgd dat ze zich zelfs niet thuis kon voelen in de taal waarin ze opgroeide, het Spaans.

Parijs
In 1954 begon ze met Filosofie te studeren aan de Universiteit van Buenos Aires, maar ging al snel over naar Journalistiek en later Letteren. Uiteindelijk nam ze schilderles bij de van origine Spaanse kunstschilder Juan Batlle Planas (1911-1966), maar ook dat zou ze niet afmaken. Wel publiceerde ze ondertussen haar eerste twee dichtbundels, 'La tierra más ajena' en 'El signo de tu sombra' (beiden in 1955), waarna nog voordat ze in 1960 naar Parijs emigreerde de bundels 'La última inocencia' (1956) en 'Las aventuras perdidas' (1958) zouden volgen.

In Parijs zou ze blijven tot 1964, steeds meer achtervolgd door een verslaving aan slaapmiddelen en levend tussen slapeloosheid, depressie en euforie. Ze werkte er voor diverse tijdschriften en vertaalde werk naar het Spaans van de Franstalige dichters Antonin Artaud, Henri Michaux, Aimé Césaire en Yves Bonnefoy. Ook leerde ze er andere schrijvers kennen, waaronder Julio Cortázar, Rosa Chacel en Octavio Paz. De laatste schreef een proloog voor haar vijfde bundel 'Árbol de Diana' (1962), waarin haar poëzie een zekere volwassenheid begon te bereiken. Zelf noemde ze het 'de verbale amalgaamkristalisatie van hartstochtelijke slapeloosheid en manifeste helderheid in een oplossing van werkelijkheid, onderworpen aan de hoogste temperaturen'.

Feminisme
Het feit dat Pizarnik liefdesverhoudingen had met zowel mannen als vrouwen, en dat ze -ondanks haar vooroordelen ten opzichte van homosexualiteit- openlijk schreef over een soms bizar vrouwelijk erotisme, heeft ervoor gezorgd dat ze een icoon werd van het feminisme van haar tijd. 'Una flor / no lejos de la noche / mi cuerpo mudo / se abre / a la delicada urgencia del rocío'*, schreef ze in 'Amantes'.

* Een bloem / niet ver van de nacht / mijn stomme lijf / opent zich / aan de delicate spoed van de dauw

Terug in Buenos Aires zou ze haar meest bekende en gewaardeerde werken schrijven, 'Los trabajos y las noches' (1965), 'Extracción de la piedra de la locura' (1968) en 'El infierno musical' (1971). Daarvoor ontving ze het Guggenheim Fellowship in 1968, en een Fulbright Scholarship in 1971.

Op 25 september 1972 maakte Pizarnik een einde aan haar leven door een overdosis van het verdovingsmiddel seconal in te nemen.

La noche

Poco sé de la noche
pero la noche parece saber de mí
y más aún, me asiste como si me quisiera,
me cubre la conciencia con sus estrellas.

Tal vez la noche sea la vida y el sol la muerte.
Tal vez la noche es nada
y las conjeturas sobre ella nada
y los seres que la viven nada.
Tal vez las palabras sean lo único que existe
en el enorme vacío de los siglos
que nos arañan el alma con sus recuerdos.

Pero la noche ha de conocer la miseria
que bebe de nuestra sangre y de nuestras ideas.
Ella ha de arrojar odio a nuestras miradas
Sabiéndolas llenas de intereses, de desencuentros.

Pero sucede que oigo a la noche llorar en mis huesos.
Su lágrima inmensa delira
y grita que algo se fue para siempre.

Alguna vez volveremos a ser.

(Uit: 'Las aventuras perdidas', 1958)

De nacht

Weinig weet ik van de nacht
maar ze lijkt van mij te weten
en meer nog, ze helpt me alsof ze me liefheeft,
mijn bewustzijn bedekt met haar sterren.

Misschien is de nacht het leven en de zon de dood.
Misschien is de nacht niets
en de vermoedens over haar niets
en ook de levende wezens niets.
Misschien bestaan alleen de woorden
in de enorme leegheid van de eeuwen
die onze zielen bekrassen met hun herinneringen.

Maar de nacht moet de ellende kennen
die ons bloed drinkt en onze ideeën.
Ze moet haat gooien naar onze blikken,
weten dat ze vol zijn van belangen, van verschillen.

Maar wat gebeurt is dat ik de nacht hoor huilen in mijn botten.
Haar immense traan ijlt
en schreeuwt dat iets voor altijd heenging.

Ooit zullen we opnieuw zijn.

(Vertaling: Zomaar een gedichten blog)

José Agustín Goytisolo, een autobiografische dichter

De Spaanse dichter José Agustín Goytisolo raakte op zijn tiende zijn moeder kwijt. Dat gebeurde in 1938 toen de Spaanse Burgeroorlog in volle gang was tijdens een bombardement van franquistische rebellen. Die gebeurtenis heeft hij zijn hele leven met zich meegedragen, iets wat in verschillende van zijn gedichten tot uiting is gekomen. In 1993 werden al die gedichten samengebracht in de bundel 'Elegías a Juia Gay'.

Goytisolo werd in 1928 geboren in een Catalaans burgergezin. Hij was de tweede van vier kinderen, de oudste van drie zonen. Hij nam in zijn studietijd deel aan verschillende grote bijeenkomsten tegen het Franco-regime, en kwam daardoor ook meerdere malen in de gevangenis terecht. Uiteindelijk moest hij naar Madrid vluchten, waardoor hij in aanraking kwam met José Ángel Valente, José Manuel Caballero Bonald, Alfonso Costafreda, Ángel González en Jaime Gil de Biedma. Daarmee zou hij de zg. 'Generatie van de jaren 50' vormen. Deze groep zou sterk begaan zijn met de terugkeer van de democratie.

'Palabras para Julia'
Zelf noemde Goytisolo zijn werk misschien daarom liever niet sociaal, maar eerder politiek. Door critici wordt het wel omschreven als 'neo-humanistisch'. Een feit is wel dat het sterk autobiografisch is, wat ook te zien is aan zijn beroemdste gedicht, 'Palabras para Julia'.

La vida es bella, ya verás
como a pesar de los pesares
tendrás amigos, tendrás amor.

(...)
Pero yo cuando te hablo a ti
cuando te escribo estas palabras
pienso también en otra gente.

Tu destino está en los demás
tu futuro es tu propia vida
tu dignidad es la de todos.

Het leven is mooi, je zult zien / dat je ondanks alle verdriet / vrienden, liefde zult ontmoeten. (...) Maar terwijl ik je aanspreek / terwijl ik deze woorden schrijf /denk ik aan andere mensen. Je bestemming is in de anderen / je toekomst is in je eigen leven / je waardigheid is die van allen.

(uit: 'Palabras para Julia', Woorden voor Julia)

Dit gedicht werd geschreven voor zijn dochter, Julia, en verwijst tegelijkertijd naar zijn moeder, waarnaar ze werd genoemd. Dat het tot de verbeelding spreekt van velen bewijst dat het muzikaal werd verwerkt door diverse artiesten, waaronder Paco Ibañez en Kiko Veneno.
Drie literaire broers
 Het komt zelden voor dat in één gezin drie broers literaire ambities vertonen. Maar nog zeldzamer is dat ze ook nog alledrie erkenning krijgen van critici en lezers, en belangrijke letterkundige prijzen in de wacht slepen. Dit gebeurde met José Agustín en zijn jongere broers, Juan en Luis. De eerste dus als dichter, behorende tot de zg. 'Generación 50', de tweede als veelschrijver van vernieuwende romans en vooral met een haast onnoembaar aantal essays op zijn naam, en de derde als auteur van een tetralogie, die wordt beschouwd als een absoluut meesterwerk.

José Agustín kreeg vooral in de vijftiger jaren verschillende prijzen toegekend voor zijn gedichten. Zo ontving hij in 1954 de 'Premio Adonais', in 1959 de 'Premio Boscán' en in 1959 de 'Premio Ausias March'. In 1992 volgde tenslotte de ' Premio de la Crítica' voor zijn bundel 'La noche le es propicia'.

Naast poëzie vertaalde Goytisolo literaire werken uit het Catalaans. Uit het Italiaans vertaalde hij o.a. werken van Pier Paolo Pasolini.

José Agustín overleed in 1999 door een val van zijn balkon bij het afstellen van een zonnescherm. Gevleugeld zijn zijn woorden 'En poesía, lo peor es seguir la moda' (In de dichtkunst is het slechtste om de mode te volgen), die misschien wel het duidelijkst zijn intenties weergeven.

Historia conicida

Es una historia conocida, amigos,
todos la recordamos,
viento del pueblo se perdió en el pueblo
pero no ha terminado.

Hace tiempo hubo un hombre entre nosotros,
alegre, iluminado,
que amó y vivió, cantaba hasta en la muerte,
libre como los pájaros.

¡Qué bonito sería! Nace, escribe,
muere desamparado.
Se estudian sus poemas, se le cita,
y a otra cosa, muchachos.

Pero su nombre continúa, sigue,
como nosotros, esperando
el día en que este asunto, y otros muchos,
se den por terminado.

¡Qué bonito sería! Nace, escribe,
muere desamparado.

(Door José Agustín Goytisolo ter hommage aan >>Miguel Hernández)

Bekend verhaal

Vrienden, het is het bekende verhaal,
we kunnen het ons allen heugen,
de wind van het volk ging verloren in het volk
maar het is niet afgesloten.

Vroeger was er een man onder ons,
blij en verlicht,
die liefhad en leefde, die zong tot zijn dood,
vrij als de vogels.

Hoe mooi zou het zijn! Geboren worden, schrijven,
hulpeloos sterven.
Zijn poëzie wordt bestudeerd, geciteerd,
en, jongens, iets anders.

Maar zijn naam leeft voort,
zoals wij, wachtend
op de dag dat deze kwestie, en vele anderen,
wordt afgesloten.

Hoe mooi zou het zijn! Geboren worden, schrijven,
hulpeloos sterven.

(Vertalingen: Spanje blogs)

Afbeeldingen: Jose Agustín Goytisolo; De drie broers en zus Goytisolo (v.l.n.r. Luis, Juan, José Agustín en Marta).

De bevlogen voordrachten van Tsjebbe Hettinga

Omdat hun taalgebied klein is kunnen Friese dichters niet gauw op een breed publiek -en grote bekendheid- rekenen. De keuze om in het Fries te schrijven is dan ook lang verbonden geweest met de Fryske beweging, ontstaan in de 19de eeuw en in de 60 jaren van de vorige eeuw gepolitiseerd. Het 'Fries zijn' is daarbij een veel terugkerend thema. De dichter Tsjêbbe Hettinga kan binnen die context geplaatst worden. Hij wist echter de aandacht van ver buiten Friesland op zich te vestigen -en met hem op de Friese poëzie in het algemeen- mede dankzij zijn bevlogen poëzieperformances.

Hettinga werd in 1949 geboren in een boerengezin in het Friese Burgwerd. Als kind was hij al slechtziend en uiteindelijk zou hij vrijwel blind worden. In 1970 debuteerde hij met het gedicht 'Forsyk' ('Verzoek') in het literaire tijdschrift 'Trotwaer' -hij kon toen nog lezen met een leesloep, maar sprak ook al in op een casetterecorder. In datzelfde jaar won hij ook voor het eerst de 'Rely Jorritsmapriis', een prijs voor ongepubliceerde poëzie. Dat zou hij in 1971 en 1987 herhalen.

Zijn eerste dichtbundel, 'Yn dit lân', werd drie jaar later onder eigen beheer gepubliceerd. Daarin werd -zoals te verwachten- het Friese landschap bezongen, maar kregen ook thema's als vergankelijkheid, heimwee, dood en liefde een plek. Weer een jaar later, in 1974, raakte Hettinga als redactielid betrokken bij het literaire tijdschrift 'Hjir', uitgegeven met steun van de provincie Friesland. Ondertussen studeerde hij tot 1986 Nederlands en Fries aan de Rijksuniversiteit Groningen en werkte hij daar als opnametechnicus in de blindenbibliotheek.

Muzikaliteit
Vanwege zijn blindheid had Hettinga de gewoonte om zijn gedichten uit het hoofd voor te dragen, en dat deed hij in combinatie met muziek. Daarbij had hij, behalve podiumgevoel, een stem die het publiek wist te bereiken en een groot impoviserend vermogen, een grote muzikaliteit in zijn poëzie, die in voordracht het beste tot zijn recht kwam. Zelf vergeleek hij graag zijn voordrachten met jazzsaxofoonsolo’s, die ook niet zomaar van papier gespeeld worden -hij speelde dat instument.

Op poëzieavonden werd Hettinga zo een geziene gast, en uiteindelijk op steeds grotere evenementen, als het Frysk Festival, de schrijverstoernee ‘Skipperslatyn’ en het Fries straatfestival in Leeuwarden. Zo zou hij gaandeweg meer en meer aandacht van buitenaf trekken, wat erin resulteerde dat hij in 1993 werd hij uitgenodigd voor een optreden op de Frankfurter Buchmesse. Dat zou de uiteindelijke doorbraak betekenen naar een breder publiek -voor Hettinga zelf en voor de Friese literatuur in het algemeen.

Twee jaar later werd hij uitgenodigd voor de Nacht van de poëzie in Utrecht. Dat optreden maakte een grote indruk op het publiek. De tweetalige bundel, 'Vreemde kusten / Frjemde kusten ', die datzelfde jaar werd uitgegeven, kreeg dan ook een groot onthaal. Niet lang daarna volgden evenementen in Brussel, Barcelona, Berlijn, Londen en Vancouver. Ook in de zomer van 2007 op het 'Festival Internacional de Poesia' van Medellín vierde Hettinga successen.

Bundels met de voordrachten op CD's
In de jaren negentig kwam Hettinga met verschillende bundels met CD's, waarbij gebruik werd gemaakt van de aantrekkingskracht van zijn voordracht. Tevens was in die periode zijn poëzie volwassen geworden: ze vertoonde een grotere vormvastheid, de strofebouw werd regelmatig en de toon in zijn gedichten werd consequent. Dat werd nu samengebracht met een beeldkracht en klankwerking, die zijn poëzie een enorme kracht gaf. Volgens de schrijver en filosoof Jabik Veenbaas wist Hettinga ook een persoonlijke mythologie te scheppen, waarin hij met metaforische beelden de oorsprong, het wezen en het eind van het verlangen en de drift wist te vangen.

Fannacht sil it foar ivich nacht wêze, no't in maitiid
Yn de broaze spegels fan it oantinken it ljocht ûntfalt
En eagen brekke yn in holle, yn in wynstille
Pleats, dêr't, in bline planeet allyk, in siel yn omslingeren
Dy't de doarren tichtklapt fynt, finsters mei hynstehûden
Blynkape; bientige fingers, dy't rikke nei in fjild fol
Bloedreade soerstâlen, betaaste it tsjustere stof
Fan fermôge hoannebalken op de lêste grissels fan
It ljocht; en ûnder 'e pannen mei de deade fûgels
Kreaket, stiller as de spinnen yn har webben fan inket,
In byntwurk dat syn grûn fynt yn in seesâlte ierde.

Citaat uit: 'It Faderpaard' (Vreemde kusten / Frjemde kusten, 1995)

Dit gedicht, 'Het vaderpaard' in het Nederlands, bestaat uit twee keer zeven strofen van elf regels en is een hommage aan de vader van de dichter, Piter Mewis Hettinga, die paardenliefhebber was en ook in die dieren handelde. De anekdote gaat dat hij een lievelingspaard had, de hengst Bernlef. Dat paard werd keer op keer verkocht om vervolgens weer teruggekocht te worden. De laatste keer dat dat gebeurde was dat door de familie om de vader naar zijn laatste rustplaats te brengen: Bernlef trok de lijkwagen.

Hettinga´s werk werd vertaald in het Nederlands, Engels, Duits, Frans en Spaans. Zelf vertaalde hij werk van Dylan Thomas, Derek Walcott en Walt Whitman naar het Fries. In 2001 ontving hij de prestigieuze 'Gysbert Japicxpriis' voor zijn bundel 'Fan oer see en fierder'. In 2016 maakte de Friese regisseur Pieter Verhoeff een documentaire over Hettinga onder de titel 'Yn dat sykjen sûnder finen' (In dat zoeken zonder vinden).

In 2013 overleed hij in Leeuwarden aan de ziekte van Kahler, een vorm van beenmergkanker. Zijn laatste bundels waren 'Equinox' (2009) en 'Oan leech en Sted Niks foarby / Aan schor en Stad Niks voorbij' (2010).

Vannacht zal het voor eeuwig nacht zijn, nu een lente in / De broze spiegels van het aandenken het licht ontvalt en / Ogen breken in een hoofd, in een windstille hoeve, / Waarin, een blinde planeet gelijk, een ziel rondslingert die / De deuren dichtgeklapt vindt, vensters met paardehuiden / Geblindeerd; knokige vingers, die reiken naar een veld vol / Bloedend rode zuring, betasten het duistere stof / Van vermolmde hanebalken op de laatste korrels van / Het licht; en onder de pannen met de dode vogels / Kraakt en kreunt, stiller dan de spinnen in hun webben van inkt, / Een bintwerk dat zijn grond vindt in een zeezoute aarde. 

(Nederlandse vertaling door Tsjêbbe Hettinga en Benno Barnard)

Toon Tellegen, eerder een dichter

Voor Toon Tellegen is het gedicht een middel om te experimenteren met het menselijke. Dat doet hij op een luchtige, filosofische wijze, beeldend en vertellend, iets wat zijn poëzie -mede door een vrij metrum- eerder doet lijken op proza -een proza, waarin alles mogelijk is.

Zoals het gedicht 'Ik hoorde van iemand dat ik een kamer was', waarin de hoofdpersoon zichzelf beschouwt als een kamer, of in 'De ontdekking', waarin een man de zin van het bestaan ontdekt. Vaak gaat het daarbij om parabels over het menselijke gedrag, met een schokkende, surrealistische en groteske lading.

Antonius Otto Hermannus Tellegen (Den Briel, 1941) studeerde geneeskunde in Utrecht en vestigde zich na een verblijf in Kenia als huisarts in Amsterdam. In 1980 verscheen zijn eerste dichtbundel, 'De zin van een liguster'. Vier jaar later kwam zijn eerste kinderboek, 'Er ging geen dag voorbij' uit. Hoewel hij inmiddels vooral grote bekendheid geniet als kinderboekschrijver, en zijn fabels zowel door kinderen als door volwassenen worden gelezen, beschouwt hij zichzelf eerder als dichter. In poëzie kan hij zijn gevoelens kwijt over angst, vervreemding, verdriet, dood. Daarin kan hij schuldbewust een mug doodslaan, een deur maken om weg te gaan uit het leven, proberen om één minuut niet aan een vrouw denken en noteren dat hij gelukkig is, zodat hij daarnaar kan terugzoeken wanneer hij dat vergeet.

Een appel
In het volgende gedicht, uit de bundel 'Een langzame val' (1991), geeft de dichter het proces van de dood en de gevoelens, die dat kunnen oproepen, weer in de vorm van een wegrottende appel:

(...)
hij rimpelt en verkleurt,
het is een warme dag, niets grijpt om zich heen
en niets gebeurt
en een hand pakt hem op, draait hem rond
en gooit hem door het raam-
als hij zich zou kunnen verbazen zou die appel
zich verbazen en denken:
is dit nu ten einde raad,
of is dit nu de opperste verwarring?
De avond valt, wormen komen op hem af,
en hij zou denken:
als ik nog kon glanzen dan zou ik nu toch glanzen...
zijn laatste gedachte
zou dat zijn.

Toon Tellegen heeft meer dan twintig dichtbundels gepubliceerd, waarvan sommige o.a. in het Engels, Duits en Russisch zijn vertaald. In 1997 en in 2007 ontving hij respectievelijk de Theo Thijssenprijs en de Constantijn Huygensprijs voor zijn gehele oeuvre, en in 2012 de Popescu Prize voor 'Raptors', de Engelse vertaling van de bundel 'Raafvogels' (2006). In 2015 werd 'De Werkelijkheid' genomineerd voor de VSB Poëzie Prijs.

Daarnaast schreef Tellegen toneelstukken, waaronder in 2007 'Leven met een onbekende'. In juni 2011 ging de opera 'The Cricket Recovers' van Richard Ayers in premiere, waarvan het libretto is gebaseerd op Tellegen's 'De genezing van de krekel' (1999). Het Asko-Schönberg-ensemble voerde deze opera op het Holland Festival uit, samen met VocaalLAB Nederland. 'De genezing van de krekel' werd in 2000 in België bekroond met de Gouden Uil.

De 'zuivere poëzie' van Juan Ramón Jiménez

Juan Ramón Jiménez publiceerde zijn eerste werken, 'Ninfeas' y 'Almas de violeta', in 1900. Nog in datzelfde jaar bleek hij er eigenlijk niet zo tevreden over te zijn, waarna hij naar exemplaren op zoek ging om ze te vernietigen. Het is niet bekend of dat iets te maken had met de dood van zijn vader en de depressie, waarin hij daardoor belandde -uiteindelijk zou Jiménez er zelfs voor worden opgenomen in een psychiatrische inrichting. Het geeft misschien wel iets aan van waar hij tijdens zijn latere dichterscarriere naar zou streven: de waarheid en het exacte -voor hem synoniem aan schoonheid.

Jiménez werd geboren in 1881 in het Andalusische Moguer. Op zijn vijftiende wilde hij kunstschilder worden, maar uiteindelijk werd hij tegen zijn zin ertoe aangezet om een rechtenstudie aan de universiteit van Sevilla te beginnen. Deze studie zou hij echter nooit voltooien. In het jaar 1900 verhuisde hij naar Madrid, waar zou hij na zijn opname en een korte periode in een inrichting in Bordeaux 'Arias tristes' zou uitgeven. Daarnaast nam hij deel aan de oprichting van het literaire tijdschrift 'Helios',waarvan tussen april 1903 en februari 1904 elf nummers verschenen. Daaraan namen o.a. grote namen deel als Rubén Darío, Antonio Machado en Miguel Unamuno.

Generatie van '27
Meer dan tot zijn eigen generatie voelde Jiménez zich aangetrokken tot eerdere en latere dichters. Zo schreef hij onder invloed van het modernistische werk van Rubén Darío (1867-1916) tussen 1905 en 1911 gedichten in vrije versvorm, uitgekomen in de bundels 'Jardines lejanos' (1905), 'Elegías puras' (1908) en 'Pastorales' (1911). Ook zou hij zich later aangetrokken voelen tot de >>'Generatie van '27' en voor de dichters, die daartoe behoorden, als groot voorbeeld dienen.

Naakte poëzie
Na zijn huwelijk met de vertaalster Zenobia Camprubí Aymar in 1916 schreef Jiménez 'Diario de un poeta recién casado' -in 1948 in een tweede editie incidenteel uitgegeven onder de titel 'Diario de poeta y mar' (een woordspel met de tweede achternaam van zijn echtgenote). In deze bundel is het begin te herkennen van wat de dichter zelf 'la poesía desnuda' (de naakte poëzie) zou noemen: dichtkunst zonder ornament, zonder rijm of regelmatig metrum. Voor Jiménez was de poëzie namelijk vooral de bron van de kennis, van de precisie, waarmee hij het concept aanreikte van de zg. 'poesía pura', de zuivere poëzie.

¡Oh corazón pequeño y puro / mayor que el mar, más fuerte / en tu leve latir que el mar sin fondo, / de hierro, frío, sombra y grito! / ¡Oh mar, mar verdadero; / por ti es por donde voy -¡gracias, alma!-  / al amor!

Oh klein en zuiver hart / groter dan de zee, sterker / in je zacht geklop dan de bodemloze zee, / van ijzer, kou, schaduw en lawaai! / Oh zee, echte zee, / om jou is dat ik ga -dank je, ziel!- / voor de liefde!

(Uit: 'Niño en el mar', 10 februari 1916)

Het werk van Jiménez wordt door literaire critici onderverdeeld in drie periodes: 'sensitiva' (gevoelige, 1898-1916), 'intelectual' (intellectuele, 1916-1936) en 'suficiente o verdadera' (de waarlijke, 1937-1958). In 1956 ontving de dichter voor zijn gehele oeuvre de Nobelprijs voor de Literatuur.

Burgeroorlog
Bij het uitbreken van de Spaanse Burgeroorlog in 1936 zocht Jiménez, die openlijk de toenmalige Republiek steunde, met zijn vrouw ballingschap op Cuba. Drie jaar later verhuisde het echtpaar naar de Verenigde Staten om zich in 1946 wederom op Puerto Rico te vestigen. In datzelfde jaar nog zou Jiménez opnieuw worden opgenomen met een depressie. Drie dagen nadat hij de Nobelprijs kreeg overhandigd stierf zijn vrouw Zenobia aan borstkanker, een verlies dat Jiménez nooit meer te boven zou komen. Hij overleed nog geen twee jaar later, in hetzelfde ziekenhuis. Beiden werden begraven in Spanje.

Behalve poëzie schreef Jiménez proza, waarvan het bekendste 'Platero y yo' (1914). Dit werk schijnt na de Bijbel en 'Don Quichot' het boek te zijn dat in de meeste wereldtalen vertaald is.

In het volgende gedicht geeft Jiménez twee verschillende 'ikken' weer, die in scherp contrast met elkaar staan. De ene praat en haat, de andere zwijgt en vergeeft. De ene is bovendien niet waar de andere wandelt. Toch zijn ze een en dezelfde totdat de ene sterft en de ander blijft. Dan zal ook blijken dat de ene de dichter is (degene die sterft), terwijl de andere het gedicht is (dat zal blijven). Daarmee wil Jiménez duidelijk maken dat het gedicht -de poëzie dus- de waarheid is.

Yo no soy yo

Yo no soy yo       


                     Soy este
que va a mi lado sin yo verlo;
que, a veces, voy a ver,
y que, a veces, olvido.
El que calla, sereno, cuando hablo,
el que perdona, dulce, cuando odio,
el que pasea por donde no estoy,
el que quedará en pié cuando yo muera. 

Ik ben niet ik / Ik ben degene / die me ongezien vergezelt / die ik soms zal zien / en soms vergeet. / Hij die sereen zwijgt als ik praat, / hij die braaf vergeeft als ik haat, / hij die wandelt waar ik niet ben, / hij die zal blijven als ik sterf.

(Uit: 'Eternidades', 1918)

Afbeeldingen: Juan Ramón Jiménez (foto uit 1900); Portret van Jiménez door Joaquín Sorollla (1903); Omslag van 'Platero y yo'

De zuivere liefde van Jonathan Swift

De Ierse priester-schrijver Jonathan Swift is vooral bekend geworden van 'Gulliver's reizen'. Dat boek kwam voor het eerst uit in 1726 en was bedoeld als een satire op en aanklacht tegen de socio-politieke situatie van zijn tijd. Minder bekend echter is dat Swift ook gedichten schreef, waaronder 'Cadenus and Vanessa', een ode aan de zuivere liefde. Hiervoor diende de dochter van een Nederlandse koopman als zijn muze.

Swift schreef 'Cadenus and Vanessa' in 1712 en publiceerde het pas veertien jaar later, na de dood van de vrouw waaraan in het gedicht gerefereerd wordt met 'Vanessa'. Die naam is een neologisme van haar echte naam, Esther Vanhomrigh, waarbij de eerste drie letters van de achternaam en de eerste twee letters van de voornaam werden samengevoegd in 'Vanessa'. Zo ontstond tevens een geheel nieuwe meisjesnaam, die vandaag de dag nog populair is. Met 'Cadenus' doelde Swift, die op dat moment deken was van de Kathedraal van St. Patrick in Dublin, op zichzelf. Die naam is nl. een anagram van het latijnse woord 'decanus' (deken).

Het gedicht
Het gedicht gaat over hoe de liefdesgodin Venus de Man beschuldigt van het misdrijf de liefde te hebben laten ontaarden tot een spel van intriges en het huwelijk te hebben teruggebracht tot niets meer dan een handelscontract. Tijdens een goddelijk proces zijn de Nimfen, de Muzen en de Gratiën aanwezig, en een aantal andere godinnen.

De Man verdedigt zich door te beweren dat het de vrouwen zijn, die de zuivere liefde uit vroegere tijden hebben laten varen en zich hebben laten verleiden tot lagere driften. Uiteindelijk komt men tot een oplossing door dè volmaakt deugdelijke vrouw te scheppen. Die moet de ware, zuivere liefde terugvinden. Het resultaat is Vanessa.

The Graces next would act their part,
And show’d but little of their art;
Their work was half already done,
The child with native beauty shone;
The outward form no help requir’d:
Each, breathing on her thrice, inspir’d
That gentle, soft, engaging air,
Which in old times adorn’d the fair:
And said, “Vanessa be the name
By which thou shalt be known to fame:
Vanessa, by the gods enroll’d:
Her name on earth shall not be told.

Vanessa (Esther Vanhomrigh)
Esther Vanhomrigh werd rond 1688 in Amsterdam geboren als de dochter van een Nederlandse koopman, die met Willem III van Oranje -toen koning van Engeland- meeging op een expeditie naar Ierland. In 1697 zou hij daar tot burgemeester van Dublin benoemd worden. In datzelfde jaar liet hij op zo'n 22 km van de Ierse hoofdstad een groot herenhuis bouwen, dat Celbridge Abbey zou worden genoemd. Daar zou Esther haar jeugd doorbrengen.

Na haar vader's dood reisde ze met haar moeder, van Ierse afkomst, naar Engeland. Daar zou ze nog datzelfde jaar -we spreken van 1707- Swift ontmoeten -hij zou haar mentor, adviseur en vriend worden. Na de dood van haar moeder in 1714, zou ze zijn weg terug naar Ierland volgen.

In de tussentijd had Swift al langer een relatie met een andere vrouw, Esther Johnson (1681-1728). Hij had haar in 1690 leren kennen toen ze nog een kind was. Er zijn vermoedens dat hij in 1716 met haar in het geheim is getrouwd -iets wat een intieme vriend van Swift, Thomas Sheridan, in de wereld heeft gebracht. Dit werd echter stellig ontkend door een vriendin van Johnson, Rebecca Dingley.

Swift noemde Esther Johnson 'Stella'. Een briefwisseling, die hij tussen 1710 en 1713 met haar onderhield werd in 1766 -21 jaar na zijn dood- uitgegeven onder de titel 'The Journal to Stella'.

Esther Vanhomrigh, die vanaf 1717 weer in het familiehuis Celbridge Abbey woonde en daar regelmatig Jonathan Swift ontving, zal dat gerucht in ieder geval ook hebben meegekregen en daarover duidelijkheid van Swift hebben gevraagd. Er wordt ook vermoed dat ze hem zou hebben geëist om met haar rivale te breken. Tijdens een hooglopende ruzie moet Swift dat geweigerd hebben waarmee aan hun relatie een abrupt einde kwam.

Het enige wat echter helemaal zeker is is dat Vanhomrigh op dat moment leed aan tuberculose en nog datzelfde jaar daaraan zou overlijden. Dat gebeurde echter niet voordat ze Swift uit haar testament kon schrappen.

Cadenus (Jonathan Swift)
Jonathan Swift werd in 1667 in Dublin geboren als zoon van Engelse ouders. Hij heeft zijn vader nooit gekend. Rond 1686 brak hij vanwege politieke omstandigheden zijn Master of Arts studie aan de Universiteit van Dublin af om bij zijn moeder in Leicester te gaan wonen. Daar kreeg hij een baan als secretaris van Sir William Temple, de gepensioneerde oud-gezant van Engeland in Den Haag (1628-1699). Diens zuster, Lady Giffard, had een dochter, Esther Johnson -op dat moment 8 jaar oud.

Tussen 1701 en 1713 pendelde Swift op en neer tussen Engeland en Ierland. In die periode had hij op 20 mijl van Dublin, in Laracor, een kleine parochie. Tevens was hij kapelaan van George Berkeley, die later bisschop zou worden van Cork en wiens filosofische werken in de 20ste eeuw zouden worden herontdekt.  Hierdoor was Swift ook veelvuldig in Dublin te vinden, waar in 1702 ook Esther Johnson en haar vriendin Rebecca Dingley kwamen wonen.

In die jaren voerde Swift de correspondentie met Esther en ook met Rebecca, die ook voorkomt in 'The Journal to Stella', en getuigenis van Swift's privéleven en van wat Esther Johnson voor hem moet hebben betekend. Intussen was ook Esther Vanhomrigh in zijn leven verschenen. Zij werd verliefd op Swift.

Each girl, when pleased with what is taught,
Will have the teacher in her thought.


Maar Swift wilde dat slechts beantwoorden met respect en zorg om haar welzijn, wat niet genoeg voor haar zal zijn geweest en haar jaloezie ten opzichte van Esther Johnson moet hebben doen oplaaien. Of Swift wel helemaal duidelijk is geweest over zijn werkelijke gevoelens naar 'Vanessa' toe valt te betwijfelen, iets wat het volgende gedicht, 'To love', onderschrijft. Het werd na Esther Vanhomrigh's dood in Swift's handschrift in haar bureau werd teruggevonden:  

In all I wish, how happy I could be, / Thou grand deluder, were it not for thee! / So weak thou art, that fools thy power despise, / And yet so strong, thou triumphest o'er the wise.

In 1728 overleed ook Esther Johnson. Haar vriendin Rebeca Dingley en ook de huishoudster van Swift, Mrs. Brent, hebben altijd volgehouden dat het paar nooit zonder ander gezelschap is geweest. Esther Johnson heeft zichzelf daarnaast altijd omschreven als een 'spinster' (ouwe vrijster). Aan de andere kant kan het detail dat het huwelijk van het paar voltrokken zou zijn door een vriend van Swift, de bisschop van Clogher, George Ashe, weer veelzeggend zijn. Omdat het echter om een huwelijk ging, dat in het absolute geheim zou zijn gesloten, kon er geen sprake zijn geweest van enige andere getuige.

Aan het einde van zijn leven kreeg Jontahan Swift last van afasie, dat hem het spreken bemoeilijkte. Ook leed hij al langer aan de ziekte van Menière, waarvan de symptomen duizelingen, oorsuizingen en gehoorverlies zijn. In 1745 overleed hij, waarna hij volgens zijn laatste wil werd begraven aan de zijde van degene, die ondanks alle tegenstrijdigheden de vrouw van zijn leven moet zijn geweest: Esther Johnson.

Afbeeldingen: Jonathan Swift (portret uit ca. 1718 door Charles Jervas, National Portrait Gallery, Londen); Esther Vanhomrigh (portret door Godfrey Kneller); Esther Johnson (portret uit ca. 1723 door Godfrey Kneller).

Het 'onophoudelijke denken' van Fernando Pessoa

Overdag was hij handelscorrespondent en free-lance vertaler, 's nachts leidde de Portugese dichter Fernando Pessoa het werkelijke leven, te vinden in zijn poëzie en proza. Misschien daarom dat hij nooit is getrouwd, al schijnt hij een -waarschijnlijk platonische- relatie te hebben gehad met zijn secretaresse. Pessoa koesterde echter de literatuur als het hoogst bereikbare, en het dagelijkse als een middel daartoe. Desondanks is tijdens zijn leven slechts één dichtbundel verschenen, 'Mensagem' ('Boodschap') -een jaar voor zijn dood.

Fernando Pessoa (1888–1935) schreef vooral niet in eigen naam maar creëerde liever een spel, waarin hij de karakters en levens uitwerkte van heteronieme schrijvers. Elke heteroniem had zijn geheel eigen wereld, waarin deze zelfs kritieken en recensies schreef over het werk van de anderen. Het geheel van deze karakters werd gevormd door de persoon van Pessoa zelf.

Een korte biografie
Fernando Pessoa werd geboren in 1888 in Lissabon. Zijn vader was muziekcriticus en ook zijn moeder was cultureel ontwikkeld. Nadat zijn vader in 1893 aan tuberculose overleed, hertrouwde deze laatste twee jaar later met een legercommandant, die een jaar later benoemd zou worden tot de Portugese consul in Durban (Zuid-Afrika). Zo zou Fernando van jongs af aan met de Engelse taal in aanraking komen, en met het werk van o.a. Shakespeare, Lord Byron, Keats, Dickens en Poe. Zijn allereerste schreden op het pad van de literatuur waren dus in het Engels, en nie eens zozeer in het Portugees.

In 1905 keerde Pessoa terug naar Lissabon om daar bij twee tantes in te trekken en literatuur te gaan studeren. In die periode maakte hij kennis met de Franse symbolisten en de grote Portugese schrijvers uit de 16de en 19de eeuw. Hij stopte echter al spoedig met zijn studie, trachtte een drukkerij op te zetten en besloot in 1908 om freelance vertaler en handelscorrespondent te worden. Die activiteiten zou hij voor de rest van zijn leven blijven doen, terwijl ondertussen in zijn vrije tijd zijn literaire werk hem geheel zou opeisen -zozeer zelfs dat het, naar eigen zeggen, de totale eenzaamheid van hem zou verlangen. Dit zelfgezochte isolement zag hij afwisselend als zijn roeping en zijn lot. Hij zei zelf daarover dat het de eenzaamheid was van iemand die te ver is voorgeraakt op zijn reisgenoten.

De heteroniemen, het spel van karakters en ideeën dat Pessoa creëerde, hadden een reden. Pessoa was zich namelijk zeer bewust van zijn gespletenheid, en leed onder een probleem dat hij zelf omschreef als het 'onophoudelijke denken'. Om daaruit enigszins te kunnen ontsnappen riep hij andere 'auteurs' in het leven: Alberto Caeiro, Ricardo Reis, Álvaro de Campos... Naast deze drie van zijn bekendste heteroniemen waren er nog meer dan twintig anderen', waaronder Bernardo Soares, de 'auteur' van het 'Boek der rusteloosheid', waarin Pessoa zijn werksituatie beschreef.

Ondanks dat nooit iemand hem dronken schijnt te hebben gezien was de drank zijn andere uitlaatklep. Zelfs zodanig dat hij het een alcolholvergiftiging was waaraan hij in 1935 zou sterven. De laatste versregel uit zijn allerlaatste gedicht 'Há doenças piores que as doenças' is wat dat betreft veelzeggend: 'Dá-me mais vinho, porque a vida é nada'*.

Literaire nalatenschap
Tijdens zijn leven publiceerde Pessoa met mondjesmaat. Behalve de dichtbundel 'Mensagem', die in 1934 van zijn hand uitkwam, publiceerde hij in het jaar 1915 in 'Orpheu'. Dat was een literair tijdschrift dat hij in datzelfde jaar met Mario de Sa-Carneiro (1890-1916) en enkele andere Portugese modernistische schrijvers en dichters had opgericht. De bedoeling was om het driemaandelijks uit te geven, wat echter slechts twee maal lukte. Het derde nummer werd wel voorbereid maar vanwege geldgebrek nooit gedrukt.

De rest van Pessoa's literaire nalatenschap bestond uit 27.000 manuscripten, die na zijn dood in een kist werden gevonden. Ze waren in een nagenoeg onleesbaar handschrift geschrevent op losse vellen, caférekeningen, kranten en zelfs op  toiletpapier. Daaronder bevonden zich behalve proza en poëzie ook drama, politieke en sociologische pamfletten en essays.

Quando vier a Primavera,
Se eu já estiver morto,
As flores florirão da mesma maneira
E as árvores não serão menos verdes que na Primavera passada.
A realidade não precisa de mim.

Sinto uma alegria enorme
Ao pensar que a minha morte não tem importância nenhuma.

Se soubesse que amanhã morria
E a Primavera era depois de amanhã,
Morreria contente, porque ela era depois de amanhã.
Se esse é o seu tempo, quando havia ela de vir senão no seu tempo?
Gosto que tudo seja real e que tudo esteja certo;
E gosto porque assim seria, mesmo que eu não gostasse.
Por isso, se morrer agora, morro contente,
Porque tudo é real e tudo está certo.

Podem rezar latim sobre o meu caixão, se quiserem.
Se quiserem, podem dançar e cantar à roda dele.
Não tenho preferências para quando já não puder ter preferências.
O que for, quando for, é que será o que é.**

(Uit: 'Poemas Inconjuntos' In Poemas de Alberto Caeiro. Fernando Pessoa. Lissabon, Ática, 1946)

Afbeeldingen (van onder naar boven):  
1. Portret van Fernando Pessoa;  
2. Beeld uit 1988 van de dichter voor het café 'A Brasileira' in Lissabon, dat hij veelvuldig bezocht;
3. Pessoa onderhield jarenlang een correspondentie met de Britse dichter en schrijver Aleister Crowley (1875-1947), die vooral bekend is geworden van occulte geschriften -in het bijzonder 'The Book of the Law', hem naar eigen zeggen gedicteerd door een geest. Pessoa zelf voelde zich erg aangetrokken tot het mystieke. Zelfs voor elk van zijn heteroniemen had hij een horoscoop gemaakt. In 1930 ontmoetten ze elkaar in Lissabon. Op deze foto zijn ze te zien, verwikkeld in een schaakspel.

Noten:
* Geef me meer wijn, want het leven is niets

** Wanneer de lente komt / En als ik dan al dood ben / Zullen de bloemen nog net zo bloeien / En de bomen niet minder groen zijn dan in het vorige voorjaar. / De werkelijkheid heeft mij niet nodig.

Een enorme vreugde voel ik / Bij de gedachte dat mijn dood geheel onbelangrijk is

Als ik wist dat ik morgen zou sterven / En het was overmorgen lente, / Zou ik tevreden sterven, omdat het overmorgen lente was. / Als dat haar moment is, wanneer zou ze anders moeten komen dan op haar moment? / Ik hou ervan dat alles werkelijk is en zoals het moet zijn; / Daar houd ik van, omdat het ook zo zou wezen als ik er niet van hield. / Daarom, als ik nu zou sterven, stierf ik tevreden, / Want alles is werkelijk en alles is zoals het zijn moet.

Ze mogen Latijn bidden boven mijn kist, als ze dat willen. / Als ze willen mag men er omheen dansen en zingen. / Het maakt me niet uit wanneer het me toch niet kan uitmaken / wat het is, wanneer het zijn zal, zal het zijn zoals het is.

Seamus Heaney, een terugkeer naar verre Ierse voorvaderen

Seamus Heaney debuteerde in 1966 met de 'Death of a Naturalist', waarvoor hij de 'E.C. Gregory Award' kreeg. Later werd de gedichtenbundel nog drie keer bekroond: met de 'Somerset Maugham Award' en de 'Geoffrey Faber Memorial Prize' in 1968, en de 'Cholmondeley Award' in 1976. In dat licht werd hij al snel gezien als de belangrijkste Ierse dichter sinds William Butler Yeats. In 1995 ontving hij de Nobelprijs voor Literatuur voor zijn oeuvre.

Heaney (1939-2013) werd geboren in County Derry in een boerengezin in Ierland. Omdat hij vanaf 1957 Engelse taal en letterkunde aan de Queen’s University in Belfast had gestudeerd, begon hij in 1963 als leraar Engels aan het St. Joseph's College te Belfast. Dankzij het hoofd van die school kwam Heaney in contact met de poëzie van Patrick Kavanagh (1904-1967), die hem zou inspireren om zelf te gaan schrijven.

Incertus
In 1962 publiceerde Heaney zijn eerste gedichten onder het pseudoniem Incertus (latijn voor 'onzeker') in diverse lokale stijdschriften. Een jaar later kwam hij in contact met de Engelse dichter van Pools-Joodse afkomst, Philip Hobsbaum (1932-2005), die een groep jonge dichters opzette onder de naam 'Belfast group' (naar voorbeeld van de 'London Group', die hij eerder in eigen land had opgezet). Zo kwam Heaey in aanraking met andere dichters als Derek Mahon (1941) en Michael Longley (1939).

Drie jaar later verscheen 'Death of a Naturalist', een werk dat een grote impact zou hebben binnen de literaire wereld. Daarna volgde 'Door into the Dark' (1969), door de 'Poetry Book Society' tot keuze van het jaar werd uitgeroepen, en nog elf andere bundels. 'Human Chain' uit 2010 was zijn laatste. Heaney maakt in zijn gedichten vaak gebruik van oude, haast vergeten agrarische handelingen en instrumenten, als metafoor voor het verleden en de oude geschiedenis van zijn volk. In 'De hooivork’ (uit 'Seeing Things', 1991) neemt hij bijvoorbeeld de lezer mee naar een jeugd, waarin hij omringd werd door dit soort voorwerpen, en wordt de hooivork bijna zoiets als de speer van een krijger of van een atleet.

In het gedicht 'Digging' (zie hieronder) schrijft Heaney over de schep van zijn grootvader, waarmee deze naar turf zoekt en 'levende wortels' in het hoofd van de dichter zelf doet ontwaken. De verwijzing naar de oude Keltische naam Toner en naar 'levende wortels', en de zoektocht van de grootvader naar 'de goede turf'' brengt deze naar voren als de belichaming van een archaïsche heldenfiguur en moet als zodanig het oerkarakter van het Ierse volk symboliseren

(...)
My grandfather cut more turf in a dayThan any other man on Toner's bog.
Once I carried him milk in a bottle
Corked sloppily with paper. He straightened up
To drink it, then fell to right away
Nicking and slicing neatly, heaving sods
Over his shoulder, going down and down
For the good turf. Digging.

The cold smell of potato mould, the squelch and slap
Of soggy peat, the curt cuts of an edge
Through living roots awaken in my head.
But I've no spade to follow men like them. *

Vervolgens schrijft Heaney dat hij zelf geen schep heeft om zulke mannen te volgen, maar wel een pen waarmee hij zal graven. Met dat woord 'graven' komt hij zo opnieuw terug bij de wortels -bij oude, historische namen als Toner, en bij zijn Ierse voorvaderen. Toner is waarschijnlijk de eigenaar van de grond, waarin de grootvader als landarbeider naar turf graaft.

Between my finger and my thumb
The squat pen rests.
I'll dig with it. **

(Uit: 'Digging'***) 

 
Ander werk
Naast gedichten schreef Heaney proza en toneelstukken, en deed hij vertalingswerk, waaronder 'Beowulf' uit 1999 en 'Arion', een gedicht van Alexander Puskhin (2002). Ook werden er diverse bloemlezingen van zijn poëzie uitgegeven.

Heaney stierf in 2013 in Dublin. Hij ontving in totaal achttien prijzen, waarvan de Nobelprijs in 1995, de Irish PEN Award in 2005, en zijn benoeming tot Commandeur in de Franse 'Ordre des Arts et des Lettres' de belangrijkste zijn.

Foto: Seamus Heaney in 1970; Heaney op latere leeftijd. 

Noten:
* Mijn grootvader groef meer turf per dag / Dan wie ook in Toner's veen. / Ooit bracht ik hem melk in een fles / Slonzig gekurkt met papier. Hij strekte zich / Om het te drinken, om daarna terug te vallen / Netjes gravend, veen heffend / Over zijn schouder, dieper en dieper / Gravend. Naar de goede turf. 
De koude geur van schimmel, het geplas / in vochtige grond, de korte sneden / door levende wortels ontwakend in mijn hoofd. / Maar ik heb geen schep om mannen als hij te volgen.

** Tussen mijn vinger en mijn duim / Rust de gehurkte pen. / Ik zal ermee graven.

***  'Digging' is een gedicht uit de bundel 'Death of a Naturalist', 1966


Gerrit Komrij, een veelzijdig dichter/schrijver

Schrijver Gerrit Komrij (1944-2012) was misschien wel één van de productiefste schrijvers binnen het Nederlandse taalgebied. In 1968 debuteerde hij met de poëziebundel 'Maagdenburger halve bollen en andere gedichten', waarna er nog vele zouden volgen.

Veelzijdigheid
Komrij werd ook bekend vanwege zijn eigenzinnige bloemlezingen en vertalingen, onder anderen van grootheden als Shakespeare, T.S. Elliot en Oscar Wilde. Bij het grote publiek was Komrij vooral bekend als essayist, columnist en als televisie- en boekrecensent. Later ontpopte hij zich ook tot een gevierd prozaschrijver. Van 2000 tot 2004 droeg hij als eerste de eervolle titel 'Dichter des Vaderlands'. Hij werd opgevolgd door Dries van Wissen (2005) en Ramsey Nasri (2009). De laatste schreef >>een gedicht (te downloaden) voor zijn overleden voorganger.

Prijzen
In 1993 ontving Komrij de P.C. Hooftprijs voor zijn beschouwend proza en in 1999 werd zijn 'In Liefde Bloeyende' bekroond met de Gouden Uil. Vorig jaar kreeg hij een eredoctoraat aan de Universiteit van Leiden.

Annie M. G. Schmidt, kinderversjes voor een generatie Nederlanders

In mei dit jaar zal het 20 jaar geleden zijn dat de kinderversjes- en -boekenschrijfster Annie M.G. Schmidt afscheid nam van het leven. Vier jaar geleden werd al haar honderdste geboortedag nagedacht. Onder de titel 'Liefs van Annie' verschenen toen haar gebundelde brieven, een selectie van schrijfster Annejet van der Zijl. Ze is vooral bekend geworden door titels als 'Jip en Janneke' en 'Puk van de petteflet' en de televisieserie 'Ja zuster, nee zuster'.

Anna Maria Geertruida Schmidt werd op 20 mei 1911 in Kapelle geboren als de dochter van predikant Johannes Daniël Schmidt en Geertruida Maria Bouhuijs. Na de HBS in Goes begon ze een notariaatstudie in Den Haag, die ze echter niet zou voltooien. In 1930 reisde ze naar Hannover om daar als Au Pair te werken, waarna ze bij terugkomst in Nederland als bibliothecaresse in Amsterdam aan de slag ging. Dat zou ertoe leiden dat ze in 1941 als directrice werd aangesteld bij de Openbare Bibliotheek in Vlissingen.

In 1946 maakte ze de overstap naar de journalistiek, eerst als documentaliste bij de Amsterdamse krant 'Het Parool'. Als snel werd ze daar redactrice, en vanaf 1948 schreef ze in die krant een wekelijkse column. Tegelijkertijs schreef ze versjes. In 1938 had ze al gedebuteerd in het tijdschrift 'Opwaartse Wegen'. Na de oorlog, in 1950, verschenen pas de eerste versjesbundels van haar hand, 'Het fluitketeltje', 'En wat dan nog?' en 'Brood en Mangelpers'.

Cabaret
In deze periode werd ze ook lid van de cabaretgroep 'De Inktvis'. Zo begon ze met het schrijven van cabaretteksten en -liedjes, die niet veel later door onder andere bekendheden als Wim Kan, Wim Sonneveld en Conny Stuart gebruikt zouden worden. Daarnaast kreeg Schmidt al snel bekendheid dankzij de hoorspelserie 'In Holland staat een huis', waarvan tussen 1951 en 1958 91 afleveringen werden uitgevoerd.

Nadat met 'Het fluitketeltje' al de spits was afgebeten volgden nof steeds bekende kinderboeken als 'Jip en Janneke', geïllustreerd door Fiep Westendorp (1916-2004) en andere klassiekers, als Abeltje', 'Pluk van de Petteflet' en 'Minoes'. Generaties Nederlanders zouden met deze verhalen en versjes als 'Dikkertje Dap' en 'Beertje Pippeloentje' opgroeien. In 1965 was zij het, die als eerste de Staatsprijs voor kinder- en jeugdliteratuur ontving (intussen de Theo Thijssenprijs geheten).

Musicals en televisieseries
In 1965 schreef Annie M.G. Schmidt in samenwerking met componist Harry Bannink (1929-1999) de eerste originele Nederlandstalige musical 'Heerlijk duurt het langst'. Daarvan zouden 534 voorstellingen worden gegeven. Meer musicals zouden weldra volgen, waaronder 'En nu naar bed' (1971), 'Wat een planeet' (1973), 'Foxtrot' (1977) en 'Madam' (1981).

Tussen 1966 en 1968 zond VARA de inmiddels legendarische serie 'Ja zuster, nee zuster' uit. Ook kwam tot stand in samenwerking met componist Harry Bannink. Bekende liedjes als 'In een rijtuigje' en 'Mijn opa, mijn opa' zijn daarvan afkomstig. Meer dan dertig jaar later, eind 1999 zou het gelijknamige toneelstuk in première gaan, met als gevolg de gelijknamige film in oktober 2002. De schrijfster zou dat succes echter zelf niet meer meemaken.

Ook de 12-delige televisieserie 'Pleisterkade 17' was tussen 1975 en 1977 een kijksucces. In 1980 kwam Schmidt's toneelstuk 'Er valt een traan op de tompoes' in premiêre.

Prijzen
Voor haar oeuvre ontving de schrijfster in 1987 de Constantijn Huygensprijs. Een jaar later kreeg ze ook nog de hoogste internationale prijs voor kinderboeken toegewezen, de Hans Christian Andersenprijs.

In 1991 stopte Schmidt na haar laatste, slecht ontvangen, toneelstuk 'We hebben samen een paard' met schrijven. Ze was toen al tien jaar alleen -na de zelfmoord van haar levensgezel Dick van Duijn- en vrijwel blind. Na een val drie jaar later en de complicaties, die daarop volgden, besloot ze dat het wel genoeg was. In de ochtend na haar 84ste verjaardag, op 21 mei 1995, maakte ze -in overleg met haar arts- met pillen een einde aan haar leven. Op haar begrafenis verzorgde Harry Bannink een 'medley' van hun bekendste liedjes.

Kafavis, dichter van de illusie

De Griekse dichter Kavafis begon rond zijn twintigste voor het eerst gedichten te schrijven. Die publiceerde hij op losse bladen, die hij dan aan goede vrienden doorgaf. Een enkele keer stelde hij van die losse bladen dan wel eens een bundeltje samen, maar nooit -in de vijftig jaar die daarop zouden volgen- achtte hij zijn werk rijp genoeg voor publicatie. Daarom is er tijdens zijn leven nooit een bundel van hem verschenen.

Een korte biografie
Konstantinos Petros Kavafis werd geboren in Alexandrië op 29 april 1863. Hij was de jongste zoon van een welgestelde Griekse koopman, die overleed toen hij nog maar net zeven jaar oud was. Daarna zou zijn moeder -ook van Griekse afkomst- gedwongen zijn het opgebouwde familiefortuin langzaamaan te verteren.

Eerst vertrok het gezin naar Liverpool, waar het onder de vleugels zou komen van een broer van de vader van Kafavis. In diens huis zou deze nog eens zeven jaar van zijn jeugd doorbrengen en zo een Engelse opvoedinbg krijgen. In 1877 zou daar echter na het faillissement van zijn oom een einde aan komen, waarna er niets anders op zat dan een terugkeer naar Alexandrië.

Ook daar was het lot het gezin niet erg gunstig gezind. Vijf jaar later zouden de Engelsen Egypte binnenvallen, waarbij Alexandrië onder bombardementen kwam te liggen. Zo werd Kafavis opnieuw gedwongen met zijn moeder en broers en zussen de stad te verlaten. Drie jaar lang zouden ze daarna in het huis van Kavafis' grootvader in Constantinopel verblijven voordat ze definitief naar Alexandrië zouden terugkeren.

Daar zou de dichter in 1892 een baantje vinden als ambtenaar bij het Ministerie van bevloeiïngen, wat hij dertig jaar lang zou blijven -zonder ooit een vast contract te krijgen. Misschien deerde hem dat niet omdat hij nooit zelf een gezin zou hebben en tot haar dood in 1899 bij zijn moeder is blijven wonen.

Op 29 april 1933 overleed Kafavis, precies op zijn zeventigste verjaardag.

Werk
Het meest bekende werk van Kafavis begon hij pas na zijn veertigste te schrijven, in een sobere en suggestieve stijl, die het prozaïsche benadert en sterk afwijkt van wat gangbaar was in het Griekenland van zijn tijd. Zijn poëzie handelt over wat had kúnnen zijn of over wat lang geleden is geweest: liefdesgedichten waarin illusies en mislukte liefdes worden beschreven vanuit een homosexuele optiek en historische verzen waarin over vergeten of onbegrepen helden. Eén van zijn bekendste gedichten is ‘Ithaka’. Daarin wordt voor Kafavis de jarenlange zwerftocht van Odysseus een metafoor voor een levenslange zoektocht naar de schoonheid.

Houd altijd Ithaka in je gedachten.
Daar aan te komen is je bestemming.
Maar overhaast in geen geval de reis.
Beter dat die lange tijd duren zal,
en dat je als oude man op het eiland zult aankomen,
rijk met alles wat je onderweg verworven hebt,
niet hopend dat Ithaka je meer rijkdom zal geven.
Ithaka schonk je de mooie reis.
Zonder dat eiland was je niet heengegaan.
Verder heeft het je niets meer te geven.

En als je dat armoedig vindt, Ithaka heeft je niet bedrogen.
Zo wijs geworden, van zovele ervaringen,
zul je al begrepen hebben wat Ithaka's betekenen.

(Uit: 'Ithaka', 1910)

Kavafis was zijn leven lang uiterst kritisch op zijn werk en twijfelde doorlopend aan zijn talent. Daarom heeft hij nooit geprobeerd om zijn werk echt aan de man te brengen. Alleen in 1904 gaf hij onder eigen beheer een boekje met 12 van zijn gedichten uit, welke hij zes jaar later zou uibreiden tot 27 gedichten. Die boekjes verkocht hij niet; hij schonk ze en alleen aan degenen, waarvan hij wist dat die ze zou begrijpen. Pas in 1935 -twee jaar na zijn dood- zouden zijn gedichten dankzij de Engelse dichter E.M. Forster (1879-1970) voor het eerst officiëel -en in het Engels- gebundeld worden. Die had hem als hulpverlener bij het Rode Kruis tijdens de Eerste Wereldoorlog leren kennen. Pas na 1948 zou Kafavis' werk in zijn eigen taal -Grieks- gepubliceerd worden (zie afbeelding hiernaast).

Vertalingen in het Nederlands
Een eerste vertaling van Kavafis' werk in het Nederlands verscheen al in 1934 ('Vijf en twintig verzen van Konstandinos P. Kavafis', vertaald door G.H. Blanken). Omdat na de Tweede Wereldoorlog de belangstelling voor Kafavis sterk toenam verscheen pas twintig jaar later een herziene en uitgebreide druk, waarna in 1977 het complete werk uitkwam van dezelfde vertaler.